De uitvoering van worpen
DE BAL MOET VOOR EEN JUISTE UITVOERING IN DE HANDEN VAN DE WERPER ZIJN EN ALLE OVERIGE SPELERS OP JUISTE AFSTAND.
MET FLUITSIGNAAL WORDEN UITGEVOERD:
·
Beginworp
· 7-meter worp
· Hervatting na spelonderbreking
· Bij vertraging in uitvoering van vrije-, in- en uitworp
· Na correctie
· Na waarschuwing
· Na tijdelijke uitsluiting
· Na diskwalificatie
· Na definitieve uitsluiting
Een worp geldt als uitgevoerd als de bal de hand van de werper heeft verlaten. De werper mag de bal weer aanraken, nadat de bal een andere speler, de dwarslat of de doelpaal heeft geraakt.
ALLE WORPEN KUNNEN DIRECT TOT EEN DOELPUNT LEIDEN!
Als de scheidsrechter een fluitsignaal ter uitvoering van een worp heeft gegeven en de opstelling van de spelers was niet correct, dan mag de scheidsrechter hiervoor later niet alsnog affluiten.
Ook mag de scheidsrechter niet terugfluiten als een snelle uitvoering van een worp op de juiste plaats wordt uitgevoerd, maar de tegenstander niet de gelegenheid heeft gehad tijdig de juiste afstand in acht te nemen en de werper hiervan geen hinder ondervond.
Het bewust vertragen van worpen (b.v. niet de juiste afstand nemen) moet worden bestraft met een waarschuwing (c.q. progressieve bestraffing).