De Beginworp
Voor de aanvang van de wedstrijd tossen de scheidsrechter en de beide aanvoerders voor de eerste beginworp en de keuze van de speeloppervlak helft.
We onderscheiden twee soorten beginworpen:
1. de eerste worp aan het begin van een speelhelft
2. de eerste worp na een geldig gescoord doelpunt
PLAATS en UITVOERING
Elke beginworp wordt uitgevoerd op het midden van het speeloppervlak (dus in het midden van de middenlijn). Hierbij mag een tolerantiegebied van 1,5 meter links en rechts van het midden worden gehanteerd.
1. Bij de uitvoering van de beginworp bij het begin van de eerste en tweede helft, dienen alle spelers zich op de eigen speelhelft te bevinden.
2. Bij de beginworp na een doelpunt mogen de tegenspelers zich op het gehele speelveld begeven: de spelers van het team welk de beginworp niet uitvoert, moeten zich in beide gevallen op minstens drie meter van de werper bevinden.
De beginworp wordt stilstaand uitgevoerd binnen drie seconden na het fluitsignaal voor de beginworp en moet zodanig geschieden dat de bal een zweefmoment kent!
Indien de speeltijd is verstreken na een geldig gescoord doelpunt, maar de daaropvolgende beginworp is nog niet uitgevoerd, dan hoeft deze beginworp niet meer te worden uitgevoerd.